De lijnen zijn (opnieuw) uitgezet

De eerste hoofdstukken van het literatuuronderzoek beginnen langzaam vorm te krijgen. Het logisch positioneren van begrippen als kennismanagement, leren en Communities of Practice is nog een hele klus :-)
Verder veel contact gehad met mijn mentor deze week over hoe nu verder. Omdat er zo weinig wetenschappelijke literatuur is te vinden over mijn onderwerp, zullen we de kracht toch ergens anders moeten zoeken.

In deze post beschrijf ik kort de inhoud en opbouw van mijn thesis:


In de eerste plaats positioneer ik begrippen als kennismanagement, Communities of Practice (CoP’s) en leren in het algemeen. Hoe we van een objectivistische kijk op kennismanagement uiteindelijk zijn beland bij een subjectivistische benadering, waarbij het sociale aspect en de mens veel meer centraal staat. En hoe past de theorie van Communities of Practice daarin?

Het daaropvolgende hoofdstuk is gewijd aan CoP’s zelf. Wat is het, hoe werkt het, wat zijn voor- en wat zijn nadelen? Maar ook met name wat zijn de werkzame stoffen (mechanismen) die ervoor zorgen dat CoP’s werken.

Omdat mijn diensten op het virtuele vlak opereren positioneer ik deze vervolgens globaal in de theorie van virtual communities. Met de centrale vragen: wat zijn virtuele communities en kunnen virtual communities als CoP’s worden beschouwd?

Vervolgens positioneer ik Web 2.0. Dit zal (mede door het gebrek aan wetenschappelijke literatuur) een luchtig hoofdstuk worden waarin ik het concept uiteenzet en de werkzame stoffen in Web 2.0 beschrijf.

Hierop volgt een hoofdstuk waarin ik mijn methodologie beschrijf. Ik zet hier uiteen wat ik doe, hoe ik dat doe en waarom ik dat zo doe. Ik ga hier ook concreet in op de diensten onder onderzoek, namelijk een weblog, een wiki en social bookmarking (die de werkzame stoffen van Web 2.0 in zich hebben).

Daarna is het tijd om mijn theoretisch model vorm te geven. Uitgangspunt is learning in practice, rondom processen als evolving forms of mutual engagement, understanding and tuning the enterprise en developing a shared repertoire. Op basis van literatuur en gezonde redenatie tracht ik aannemelijk te maken waarom de werkzame stoffen van Web 2.0 werken op deze drie processen van learning in practice.

Op basis van mijn interviews met een man of 20 die kennis hebben van en ervaring hebben met weblogs, wikis en social bookmarking (en eventueel aangevuld met literatuur) tracht ik te achterhalen wat het is in de werkzame stof van Web 2.0 dat de wetmatigheid triggert. Met andere woorden: wat zijn de mechanismen die werken op de wetmatigheid? Hier komen de mechanismen beschreven in het hoofdstuk over CoP’s weer terug.

Dit alles leidt tot verschillende Context, Mechanismes and Outcom configurations (CMOC’s, gebaseerd op realistische evaluatie theorie). Onderstaand figuur geeft daar een voorbeeld van.

Context, Mechanism, Outcome Configuration

Met drie leerprocessen en zo’n vijf werkzame stoffen van Web 2.0 zou dit kunnen leiden tot 15 CMOC’s. De grap is natuurlijk alleen die wetmatigheden uit te werken die ook aannemelijk zijn.

Dit leidt tot een prototheorie die ik vervolgens met mijn focus groep ga verfijnen waarna mijn thesis vervolgens wordt afgesloten met conclusies.

Zo is duidelijk: Er is nog genoeg te doen. Fase één is inzichtelijk maken welke wetmatigheden ik aannemelijk kan maken. Daar is toch mijn model op gebaseerd :-). De mememap van O’Reilly zal wel een belangrijke input zijn voor de werkzame stoffen van Web 2.0.

Opmerkingen / aanmerkingen / suggesties / aanbevelingen op dit bericht en mijn thesis in het algemeen hoor ik graag!

If you enjoyed this post, make sure you subscribe to my RSS feed!